Bezoek ook eens

WWW.TASMEDES.NL
 
gewijd aan de interactie van geloof en natuurwetenschap


God en de Menselijke Maat:


Gods Handelen en het Natuurwetenschappelijk Wereldbeeld

door Taede A. Smedes

 

 

Hoofdstukken:

Overige Links:

Reactie van

dr. G.D.J. Dingemans

(ontvangen 30-08-2006, gepubliceerd met toestemming van de auteur)


GOD EN DE MENSELIJKE MAAT

 

Dr. G.D.J. Dingemans

 

De filosoof/theoloog dr. Taede Smedes heeft een origineel, parmantig en helder boek geschreven waarin hij recht voor zijn raap de verhouding tussen geloof en natuurwetenschap op een nieuwe manier aan de orde stelt.[1] Zijn uitgangspunt is dat de huidige theologen die de dialoog tussen geloof en natuurwetenschappen voeren zich veel te veel laten leiden door het primaat van het natuurwetenschappelijke denken. Hij noemt dat ‘cultureel sciëntisme’: men past het geloof - en nog erger: God! - aan aan de categorieën van het empirisch onderzoek. God wordt passend gemaakt voor het natuurwetenschappelijke wereldbeeld. De meeste theologen, die zich met deze problematiek bezig houden, maken de principiële denkfout van ‘vermenging van categorieën’. Ze gebruiken de taal van de natuurwetenschappen voor het geloof en voor God. Theologie moet zich echter volgens Smedes van een andere taal en een andere grammatica bedienen dan de natuurwetenschappen. Daarom gaat hij voorlopig eerst maar eens uit van de verschillen tussen beide denkwijzen en talen. We moeten ons realiseren dat we over God alleen op een menselijke en dat wil zeggen ‘beperkte’ of ‘mythologische’ manier kunnen spreken. God overtreft onze taal, ons voorstellingsvermogen en onze denkwereld. Hij spreekt daarom van God als de ‘aanbiddenswaardige’, als ‘datgene waarboven iets groters niet gedacht kan worden’ (Anselmus van Canterbury). De natuurwetenschappen gebruiken daarentegen de taal van de empirie en van de causaliteit. Ze leggen heel andere verbanden dan de theologie. En die kun je niet zomaar in elkaar schuiven. Betekent dat, dat Smedes kiest voor de oude positie van een absolute boedelscheiding tussen de wereld van het geloof en de wereld van de natuurwetenschappen? Ja en nee. Als inzet: ja. Een vak als de godsdienstfilosofie probeert nu juist de twee taalvelden zorgvuldig te onderscheiden. Maar er zijn natuurlijk raakvlakken. Bijvoorbeeld als de theologie spreekt over de schepping. Of over de wijze waarop God de wereld begeleidt in zijn voorzienigheid. Maar het verschil moet ook dan duidelijk blijven. Ook als Smedes spreekt over de schepping, over wonderen en Gods onderhoudende werkzaamheid, spreekt hij in andere categorieën dan de natuurwetenschappers. Er is slechts sprake van een zekere ‘resonantie’ tussen de beide taalvelden. Het natuurwetenschappelijke concept van de Big Bang kan bij gelovigen een resonantie oproepen met het theologische begrip ‘schepping’. Maar het blijven twee heel verschillende manieren van kijken naar de werkelijkheid.

Het is natuurlijk goed dat theologen nog eens goed wordt ingewreven dat theologie zich van een andere taal en vooral een andere grammatica bedient dan de natuurwetenschappers. Maar daar beginnen ook mijn bedenkingen! Komen we dan niet in een dualisme terecht, waarbij we in twee (of misschien nog meer?) werelden leven die we niet goed meer bij elkaar kunnen krijgen in ons denken en beleven? Worden we dan geen verknipte persoonlijkheden, die zondags in God (proberen te) geloven en op maandag met de natuurwetenschappelijke werkelijkheid rekening moeten houden? Mijn stelling is, dat het christelijk geloof zich altijd heeft uitgedrukt in de filosofie en de referentiekaders van bepaalde tijden. In de vroege kerk in de denkkaders van het (neo-)platonisme. In de middeleeuwen in het filosofische interpretatiemodel van Aristoteles. In de moderne tijd in het raam van het Verlichtingsdenken etc. In mijn bijdrage aan het boek Deze wereld en God[2] heb ik laten zien, hoe de prioriteiten in ons wereldbeeld en onze denkkaders in de loop der eeuwen zijn verschoven van de wereld van ‘het hoogste goed’ naar de tastbare wereld van de ‘natuur’ of van de geestelijke wereld naar de materiële wereld. En ik heb in dat boek - evenals in andere publicaties - geprobeerd het christelijk geloof tot uitdrukking te brengen binnen de referentiekaders van onze tijd en dat wil dus zeggen: binnen de natuurwetenschappelijke kijk op de wereld. Om zo in gesprek te blijven met moderne mensen die leven in een door (natuur)wetenschappen gedomineerde cultuur. Ik heb de stelling verdedigd, dat de goddelijke wereld niet samenvalt met onze wereld en dat God onze wereld ‘transcendeert’ - daarin ben ik het met Smedes eens. Maar ik ben van mening, dat de goddelijke wereld onze wereld, die we natuurwetenschappelijk kunnen beschrijven, ‘omvat’ - ik pleit voor het pan-en-theïsme als een denkkader voor een theologische visie op de natuur. De talen en de taalstructuren mogen verschillend zijn: het gaat steeds over dezelfde wereld, waarin ook God een eigen rol speelt. En mijn vraag is (en blijft): hoe kun je over God spreken in een tijd die wordt gedomineerd door een empiristische kijk op de wereld? En welke rol kan de God die ik ken door de bijbel in die wereld spelen? Smedes zegt: dan moet je je realiseren dat je met verschillende talen (en met verschillende werelden?) te maken hebt. Ik vraag me af hoe die talen in één mens bij elkaar komen, die in principe slechts in één wereld leven.

Dit lijkt een methodologische twist onder vakbroeders. Niet onbelangrijk. Want de vraag is wat daarachter eigenlijk op het spel staat. Naar mijn besef: niet minder dan onze visie op God. Voor Smedes is God het wezen ‘waarboven iets groters niet gedacht kan worden’, een uitspraak die hij ontleent aan Anselmus van Canterbury. Daarmee kiest hij - naar mijn mening - voor een uitgangspunt in de wereld en de filosofie van de middeleeuwen. En daarmee opent hij ook een theologisch woordenboek dat ontleend is aan de middeleeuwse scholastiek. God is de al-machtige, de alom-tegenwoodige en de al-wetende. Termen die niet ontleend zijn aan het bijbelse religieuze spraakgebruik, maar aan de filosofie. En daarmee kiest hij niet alleen voor een filosofisch godsbegrip in tegenstelling tot de bijbelse beleving van de levende God, maar ook voor een middeleeuws godsbesef, dat het mijne niet meer is. En die tegenstelling grijpt veel dieper in dan een methodologisch onderscheid in een theologisch dispuut…

Ik licht dat nog wat nader toe aan een punt, waar niet alleen Smedes veel aandacht aan schenkt, maar waar ik me zelf in de loop van de jaren ook steeds mee bezig heb gehouden. Dat is de vraag naar Gods almacht. Of nog meer toegespitst: in hoeverre God de wereld, de natuur en de mens een eigen ruimte heeft geschonken en zijn (of haar) eigen macht heeft beperkt, zodat men zelfs van de schepping als een ‘goddelijk experiment’ kan spreken[3]. Smedes noemt dat kenosis: God heeft zichzelf ‘ontledigd’. Ik zou liever zeggen: God heeft zichzelf ‘beperkt’ of ‘ingeperkt’[4] door een wereld buiten zichzelf te scheppen, die - binnen bepaalde voorwaarden en binnen een gegeven context - haar eigen weg kan gaan. Als gevolg daarvan kan men het filosofische concept van Gods almacht niet meer gebruiken. En ook Gods alwetendheid is daardoor een woord geworden dat in deze theologie niet meer past.

Ik begrijp wel dat dat voor een (door de middeleeuwen geïnspireerde) filosoof/theoloog een gruwel is. Smedes drukt zich nog veel sterker uit als hij zegt dat zo’n God een ‘knoeier en een prutser’ is! Dat verwijt hij Peacocke. Maar dat geldt natuurlijk impliciet ook voor mij. Ik zal daarom alleen maar voor mijzelf spreken. En dan verklaar ik, dat ik liever een filosofie zoek bij de ervaring van de beweeglijke God van de bijbel, die mij diepgaand heeft gevormd, dan dat ik mijn godservaring laat bewerken door een (strikt logische) filosofie. Dat is mij teveel een theologie naar menselijke (en nog wel middeleeuwse) maat, die ik maar al te goed ken uit mijn eigen verleden! Ik heb zo’n nieuw filosofisch kader, dat min of meer past bij de bijbelse verhalen over God, gevonden in het proces-denken van Whitehead en John Cobb - overigens met alle problemen van dien![5] En ik maak daarom graag gebruik van de metafoor van ouders die een kind geboren hebben doen worden, dat daarna een eigen geschiedenis doormaakt. Ouders zien de ontwikkeling van hun kinderen en grijpen af en toe in om ze verder te helpen. Ik spreek daarom van schepping als ‘facilitering’. God schenkt mogelijkheden, die verwezenlijkt kunnen worden. En hij grijpt pas in, als er mensen op het wereldtoneel verschijnen, die eigenmachtig hun zin doordrijven. Dat doet hij niet met geweld, maar met de zachte drang van de pedagoog: ‘mens waar ben je?’ (Genesis 3:9) en door de inzet van zijn eigen Zoon (Mat. 21:37). Als dat filosofisch niet klopt met een bepaalde logica, dan moet er een nieuwe logica worden gezocht. Zoals bijvoorbeeld ook de kwantenmechanica een nieuw filosofisch kader nodig had, toen de oude rechtlijnige causale logica niet meer voldeed om de feiten van de kwantenfysica te verklaren!

Achter mij beschouwingswijze zitten twee drijfveren, die Smedes mijn inziens onvoldoende erkent: in de eerste plaats wil ik graag als theoloog in gesprek blijven met natuurwetenschappelijk gevormde medemensen. Vooral nu onze hele wereld steeds meer gefascineerd wordt door de zeer succesvolle natuurwetenschappelijke denkwijze. Dat herken ik ook wel bij Smedes, ook al kiest hij een andere weg dan ik. Hij is waarschijnlijk echter minder besmet met het natuurwetenschappelijke virus dan ik! Maar nog veel dieper zit bij mij de vraag, hoe het mogelijk is dat deze wereld zoveel ontsporingen kent. Voor die ontsporingen kunnen we God niet de schuld geven. Integendeel: naar bijbels getuigenis zet God zich juist in om zijn schepping weer in het gareel te brengen zodat ze zich kan ontwikkelen tot een vreedzaam en ecologisch vrederijk. Ik heb in mijn omgang met de bijbelschrijvers God juist leren kennen als een dynamische en flexibele kracht (dynamis)[6], die zich aanpast aan de omstandigheden om zijn grote werk: ‘het experiment wereld’ tot een goed einde te brengen.

Smedes grijpt terug op een oude theologie, die lange tijd[7] door de kerk voor orthodox is gehouden. Ik zoek naar een (bijbelse) theologie, die mensen die zijn opgevoed in een natuurwetenschappelijke en geseculariseerde wereld verder kan helpen. En de tijd zal leren welke kant het op zal gaan…


[1] Taede A. Smedes, God en de menselijke maat. Gods handelen  en het natuurwetenschappelijk wereldbeeld, Meinema, Zoetermeer 2006.

[2] Zie G.D.J. Dingemans en P.G. Smelik, Deze wereld en God. Modern wereldbeeld en Christelijk geloof. Kok, Kampen 2005, hoofdstuk 5. Een boek dat overigens door Smelik [Smedes, TS] niet wordt genoemd in zijn literatuurlijst!

[3] Smedes legt die term Peacocke in de mond. Die heb ik daar nooit gevonden. Ik heb die uitdrukking zelf wel veelvuldig gebruikt.

[4] Dat is een uitdrukking van Hans Jonas.

[5] Voor mijn problemen ook met die filosofie zie: Deze wereld en God, p. 154vv.

[6] En dat is iets anders dan al-macht!

[7] Sinds de middeleeuwen hebben deze theologische denkkaders bestaan en zijn ze door kerken in stand gehouden. Na de Verlichting en vooral na de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust zijn theologen op zoek naar nieuwe interpretatiemodellen voor een oeroude godservaring die in Israël is begonnen en in het Nieuwe Testament een hoogtepunt heeft beleefd. Het is een godservaring die onze filosofische kaders voortdurend laat springen, omdat deze God de menselijke maat te boven gaat.