|
Bezoek ook eens |
|
|
|
Hoofdstukken:
Overige Links: |
Hoofdstuk 12 Hoe nu verder? Opnieuw geloof en wetenschap overdenken In hoofdstuk 12 (209-229) probeer ik een aantal lijnen bij elkaar te brengen. Bovendien wil ik, na alle 'deconstructie', ook enige positieve opmerkingen plaatsen over hoe geloof en wetenschap elkaar zouden kunnen beïnvloeden. Ik begin met de vraag wat mensen eigenlijk van wetenschap verwachten. Mijns inziens verwachten mensen vaak teveel van wetenschap. Veel mensen denken of hopen dat de wetenschap ons zal vertellen hoe 'de wereld' in elkaar zit, terwijl de wetenschap zich slechts betrekt op aspecten van die wereld. Verwarring en valse verwachting liggen ook ten grondslag aan het hedendaagse begrip van 'geloven'. Volgens velen is geloven het hebben van onbewezen (of niet te bewijzen) overtuigingen met betrekking tot het bestaan van een bovenwereldse entiteit die met 'God' wordt aangeduid. Geloof wordt dus in zekere zin vanuit een wetenschappelijk perspectief gedefinieerd. Er lijkt dus een betovering van wetenschappelijke wijzen van denken uit te gaan, die echter leidt tot het begaan categoriefouten als het religieus geloven betreft. Die betovering, die mijns inziens cultureel van aard is, duid ik aan als cultureel sciëntisme. We kunnen niet uit dat natuurwetenschappelijk denkkader stappen, omdat we niet uit ons eigen denken kunnen stappen. Maar we kunnen ons wel bewust worden van de presentie en invloed van dat denkkader - en die sensitiviteit is precies wat dit boek beoogt. Eén van de categoriefouten die begaan wordt is een reductie van alles wat logisch mogelijk is tot wat fysisch mogelijk is. Wat natuurwetenschappelijk gezien mogelijk is - dus wat niet in strijd is met de natuurlijke orde - is logisch mogelijk. Echter, de verzameling van logische mogelijkheden is groter dan die van fysische mogelijkheden. Dat laatste wordt vaak vergeten vanwege een al te sterke focus op de natuurwetenschappelijke manier van denken. Dit is ook van invloed op het denken en spreken over Gods handelen, zoals dat in dit boek aan de orde is gekomen. Immers, zou het niet logisch mogelijk zijn dat God in de wereld handelt zonder de natuurlijke orde te doorbreken, zelfs al zou die orde vanuit fysisch oogpunt volledig gesloten zijn? Gelovigen hebben, als het goed is, een open houding ten aanzien van wat mogelijk is en zouden hun blik niet door een natuurwetenschappelijke manier van kijken moeten laten vertroebelen. Vervolgens de vraag of ik in dit boek opteer voor een boedelscheiding tussen theologie en natuurwetenschap. Weliswaar heb ik voortdurend gehamerd op een onderscheid tussen de grammaticale regels van religieuze en wetenschappelijke manieren van spreken en denken. Toch geef ik aan dat een boedelscheiding te ongenuanceerd is. Er kan namelijk heel goed sprake zijn van een beïnvloeding van geloof door wetenschap, bijvoorbeeld door resonantie: gelovigen herkennen misschien in bepaalde wetenschappelijke theorieën iets wat hun niet onbekend voorkomt. Er is herkenning, zonder dat er sprake is van identificatie. Geloven is een proces van de wereld 'zien als...' (bijvoorbeeld als schepping). Een gelovige beleeft de wereld anders dan iemand die het gelovige perspectief niet deelt. Ieder perspectief - zowel het wetenschappelijke als religieuze - heeft een eigen interne logica, een eigen manier om zaken met elkaar te verknopen tot een bepaald geheel, een plaatje. Maar hoe iemand de wereld ziet en beleeft - of als schepping, of als een samenspel van onpersoonlijke krachten en oorzaken - dat blijft een persoonlijke en individuele aangelegenheid. Detailopmerkingen pagina 209: De 'affaire Galileo'. Voor een gedetailleerd en gedocumenteerd overzicht van de 'affaire Galileo', zie: M.A. Finocchiaro (ed.), The Galileo Affair: A Documentary History. Berkeley etc.: University of California Press 1989. pagina 211: Rush Rhees. Op pagina 211 en 216 verwijs ik naar de Engelse filosoof Rush Rhees, zonder hem letterlijk te citeren. De passage die mij met name heeft geïnspireerd als een schitterende beschrijving van de invloed van cultureel sciëntisme, is de volgende: That is often what is meant, I suppose, when people say that science furnishes the surest method of finding out about the world. But that statement may suggest something else, which is a serious misunderstanding. It often suggests that science can provide an answer to the question with which it is really not concerned. In fact, of course, 'the world' is not a subject of scientific investigation. Heat is, and light is, and living organisms are; but not the world. When men are troubled to know what the world is like then in all conscience it is hard to know just what they are asking; and for the most part they could not say themselves. They want to understand the world; which, for one reason or another, they may feel they cannot understand. It is partly a question of understanding their own existence in the world, and of understanding what they are faced with. I do not think those two can be separated. Asking what the world is like, is never a purely theoretical question; though it is not in the ordinary sense a practical question either. If anyone does arrive at a view of the world, this generally makes a difference to his life, and a difference unlike any that comes from a better knowledge of facts (as it might make a different to my life if I knew more about the weather). I do not think that science can give any such understanding of the world, or that it is in any way concerned to do so. That is why I do not think that scientific discoveries have made men wiser. But the prevalence of science affects the way we think of things, or look at things, besides the special matters which it investigates. It may affect the way in which we understand questions in religion or in art, for instance, even if we are not trying to introduce scientific method into them. If anyone were to speak about religious doctrines now in the way in which he might have spoken in the thirteenth century, we should hardly listen to him. Not so much because he would be offering views which science has shown to be wrong, but because his whole way of arguing or presenting his case would seem unconvincing to us. It sould not strike us as an argument at all - we might call it a verbal subterfuge - and we should not understand how anyone could be impressed by it. Consider the 'evidence' that was supposed to be afforded by miracles. The difficulty is not because science has shown that there can be no miracles. (How could it show that?) Our difficulty is partly in understanding what a miracle would be; and this is a result of our scientific ideas - a result of the mass of preconceptions from which we start and which we cannot escape, regarding how things should be viewed. And we find it even more difficult to see what could be meant by accepting a miracle as evidence for anything. For those who did accept them, they obviously had a force which we just cannot understand. And this is not because science has shown that they were wrong in finding such force in them. But the scientific treatment of natural events has come to take our attention and play a rôle in our lives as it never did for them. And we cannot move outside it in our thinking. More recent changes in our ways of thinking would illustrate the same point. If we are looking for an explanation of someone's failings, the most convincing suggestion is generally that it was something that happened in his early childhood. This is not because we have tried explanations of other sorts. It is just that our minds move that way now. In all this science has affected our view of things. But this is not a view of things which science has discovered for us, or which we have reached in any scientific way. We have come to rule out certain questions and certain sorts of explanations. Perhaps it is good that we have. But all this lies outside anything which scientific methods can decide. R. Rhees, Without Answers. New York: Schocken Books 1969, 6-7. Het boek is juweeltje, het staat vol met prachtige wijsheden, maar is helaas onbetaalbaar... pagina 216: Fysische & logische mogelijkheden. (verder bewerken) pagina 221: Resonantie. Ik grijp in deze alinea opnieuw terug op de resonantie tussen de oerknaltheorie en de creatio ex nihilo zoals ik die ook aan het einde van hoofdstuk 6 ter sprake bracht. Hier moet wel gezegd worden dat die resonantie ook tussen bijvoorbeeld de evolutietheorie en de creatio continua kan optreden, zoals bijvoorbeeld bij Teilhard de Chardin het geval was. Hierover merk ik een en ander op in de Detailopmerkingen bij hoofdstuk 3 (zie de opmerking bij "pagina 56-60: Evolutietheorie en religieus geloof").
|
"Het probleem tussen geloof en natuurwetenschap zit niet aan de kant van de natuurwetenschappen, maar het zit in de manier waarop over God gesproken en gedacht wordt. Daarom ben ik ook van mening dat veel theologen die proberen toch Gods handelen met natuurwetenschappelijke theorieën te verzoenen, onzinnig bezig zijn. Ze houden zich bezig met een probleem dat helemaal niet bestaat. ... ik denk dat veel benaderingen in religion & science theologisch gezien bullshit zijn." (p. 33)
ISBN 9021141132, €
19,50
|
|
|
||